
Hoe maak je van planlast planlust?
Minister Zuhal Demir loopt over van de plannen voor het onderwijs. Maar de logica van ‘oplossen en verbeteren’ is een vermoeiende aangelegenheid, schrijft schooldirecteur Dimitri Meurrens. Hij pleit ervoor het onvermogen te erkennen.
Een mens kan van alles beweren, maar niet dat het Vlaams minister van onderwijs Zuhal Demir (NVA) ontbreekt aan ideeën. De focus op regels, rust en routine, de afschaffing van de pedagogische studiedag en de facultatieve vrije dag, drie uur extra Nederlands voor wie de taal onvoldoende beheerst, de introductie van een ‘gedragscoach’ op school, de oprichting van voorbeeldscholen …
Het laatste voorbeeld in de rij is het streven naar administratieve vereenvoudiging. De minister wil een raad van onderwijzers oprichten die de planlast in het onderwijs in kaart moet brengen, allicht om die beruchte planlast vervolgens ook te verlagen. Voor de 124 leerkrachten die in die raad zullen zetelen, zal de planlast tijdelijk groter worden, maar ik ga ervan uit dat zij daar zelf voor gekozen hebben. Het doet me nadenken over wat ‘planlast in wezen is. En hoe we die planlast kunnen ombuigen naar ‘planlust’.
Zoals de minister het zelf omschrijft, is het de bedoeling te kijken naar wat niet nodig of nuttig is en waar veel tijd in kruipt, en om daar dan in te schrappen. Op zich is dat een ietwat rare vaststelling. Dat de planlast – alleszins in de pecreptie – de laatste jaren is toegenomen, valt moeilijk te ontkennen. Leerlingvolgsystemen, de toenemende juridisering, online platformen waarop van alles geregistreerd moet worden, allerlei actieplannen die moeten worden opgesteld … Kortom, veel schrijfwerk, en dus ook veel leeswerk. Maar waarom wordt dat alles doorgaans als een last ervaren? En zijn veel van die zaken niet juist in het leven geroepen om de kwaliteit te verbeteren?
In zekere zin machteloos
Onderwijsmensen zijn meestal plichtsbewust en doen wat ze denken dat van hen wordt verwacht, ook als die inspanningen niet in verhouding staan tot het beoogde effect. En net daar wringt het schoentje … De minister wil af van het beeld dat het onderwijs een weinig wendbare tanker is. Met allerhande ideeën en acties wil ze dingen veranderd zien. Dat is een nobele missie. Aan de boom schudden kan soms geen kwaad. Alleen is schudden geen garantie dat het fruit ook naar beneden valt.
De waarde van wat we doen, wordt in deze samenleving veelal bepaald door het resultaat. Dat klinkt logisch, maar er zijn toch gevaren aan verbonden. Een mens kan veel, maar ook veel niet. En dat wordt weleens uit het oog verloren. Dat betekent niet dat het niet belangrijk is om je best te doen. Het betekent wel dat dingen altijd anders kunnen verlopen dan voorzien, en dat succes mogelijk uitblijft. Het is al niet eenvoudig om goede resultaten te boeken, laat staan dat de bestaande problemen ook verdwijnen.
Hoe toch blijven voortdoen, terwijl je in zekere zin ook machteloos bent? Dat lijkt een belangrijke vraag te zijn, voor het onderwijs, maar ook voor de samenleving.
Bij maatschappelijke problemen wordt dikwijls naar het onderwijs gekeken: mediawijsheid, opvoeden tot verantwoord burgerschap, financiële educatie, omgaan met diversiteit, gezonde relaties, milieubewust zijn … Allemaal belangrijke thema’s die op school leiden tot overvolle leerplannen, zodat er alsmaar minder ruimte is voor het ‘rekenen, lezen en schrijven’ waar Demir zo’n voorstander van is. Het gaat hier niet zozeer om waar het onderwijs zich al dan niet mee moet bezighouden. Het gaat om de verwachtingen die gesteld worden. En die zijn niet min.
Dingen om voor te vechten
De logica van ‘oplossen en verbeteren’ is – misschien nog meer dan de planlast op zich -een vermoeiende aangelegenheid. Het houdt immers het risico in dat het nooit goed genoeg is. Op die manier wordt het beste ook de vijand van het goede. Dat is ook het gevaar van de ‘verbeterplannen’ die in het onderwijs de ronde doen. Enige bescheidenheid in dezen kan geen kwaad. We hebben niet alle macht in handen. Er zijn altijd dingen die ons ontgaan of die we verkeerd zien.
Machteloosheid is iets anders dan wanhoop of hopeloosheid. Dingen doen waarin we geloven, zonder de misplaatste zekerheid op succes, is waardevol op zich. Hoop is immers niet zozeer de overtuiging dat alles goed komt, maar wel het geloof dat er dingen zijn die de moeite waard zijn om voor te vechten. En als mensen vertrouwen hebben in de weg die ze bewandelen, meer nog, als de weg minstens even belangrijk is als het eindpunt, dan zal dat allicht minder als een ‘last’ worden ervaren.
Een pleidooi dus om het onvermogen te erkennen en mild te zijn voor onze mislukkingen, misschien zelfs om het leven te zien als een constante oefening in falen.




